retoricus
mannelijk (de)/reˈtoriˌkʏs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die getraind is in de welsprekendheidDe perfect Amerikaans-Engels sprekende Netanyahu – hij woonde een deel van zijn leven in de Verenigde Staten – is een effectieve retoricus. NRC 17 maart 2015 [https://www.nrc.nl/nieuws/2015/03/17/zeven-vragen-en-antwoorden-over-de-verkiezingen-in-israel-a1417820 Zeven vragen en antwoorden over de verkiezingen in Israël]Maassen toonde zich in Einde oefening wel vaker een volleerd retoricus. Bijvoorbeeld bij zijn aanval op Rutte, de premier die het hebben van een visie afwijst. En ook in de manier waarop Maassen Poetin tackelde over zijn homobeleid: „Homoseksualiteit is geen ziekte. Dat zou ook nooit geaccepteerd worden als je ’s maandags naar je werk belde.” NRC Ron Rijghard 4 september 2014 [https://www.nrc.nl/nieuws/2014/09/04/cabaretier-ontregelt-te-weinig-1414721-a1290060 Cabaretier ontregelt te weinig]
Etymologie
* afleiding van retoriek
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek