retorica
vrouwelijk (de)/reˈtorika/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- leer van de welsprekendheid
Etymologie
*van Latijn "rhetorica", in de betekenis van ‘redekunst’ aangetroffen vanaf 1508
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek
*van Latijn "rhetorica", in de betekenis van ‘redekunst’ aangetroffen vanaf 1508