pilaar
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) een langgerekt verticaal bouwelement, gewoonlijk uit één stuk en met een willekeurig gevormde doorsnedeDe kluizenaar Simon leefde jarenlang bovenop een pilaar van één meter in het vierkant.
Etymologie
* Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘pijler’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Vertalingen
Engelspillar, column, pilar
Spaanscolumna
Russischстолб, колонна
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek