pil

mannelijk/vrouwelijk (de)/pɪl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. farmacologie (farmacologie) (eigenlijk:) hoeveelheid werkzame stof met een bindmiddel in een bolletje gedraaid
    In de westerse wereld worden heden ten dage geen echte pillen meer verstrekt
  2. farmacologie (farmacologie) (bij uitbreiding:) elke vorm van medicament die in vaste vorm oraal wordt ingenomen zij het tablet, dragee, capsule of iets anders
    Een huisdier een pil geven is vaak geen makkelijk karwei.
  3. farmacologie, seksualiteit (farmacologie) (seksualiteit) regelmatig ingenomen tablet die zwangerschap verhindert, bepaald oraal voorbehoedmiddel
    Zij was al op haar dertiende aan de pil.
  4. figuurlijk, informeel, letterkunde (figuurlijk), (informeel), (letterkunde) dik boek
    Deze roman is een pil van ruim 400 bladzijden.
zelfstandig naamwoord
  1. beroep, militair, schertsend (beroep) (militair) (schertsend) gezondheidsofficier of legerarts
  2. persoon, schertsend (persoon) (schertsend) iemand die als arts, farmacoloog of student veel met geneesmiddelen werkt

Etymologie

*: "pillen" zonder de uitgang -en

Uitdrukkingen

  • De pil slikkenIets vervelends accepteren of een onaangenaam klusje toch doen, omdat dit nodig is
  • De pil verguldenEen van zichzelf onaangename boodschap op een zo vriendelijk mogelijke manier overbrengen
  • Een bittere pilEen zware tegenslag of teleurstelling
  • : pil

Vertalingen

Engelspill, pill
Franspilule, pilule
Spaanspíldora, píldora, pastilla