pilaarbijter

mannelijk (de)/piˈlarbɛitər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie, pejoratief (religie) (pejoratief) iemand die zich veel braver voordoet dan hij is
    Lefevere was niettemin woedend over de onverwachte ondervraging. "Alleen gefrustreerde pilaarbijters gaan tot een dergelijke actie over. De Italianen zijn zeker en vast grijs van jaloezie geworden, toen hun Franse collega's vorig zoveel publiciteit kregen in de Tour. Waarom hebben ze anders gewacht op de openingsdag van de Italiaanse wielerkalender? Nu wisten ze dat alle camera's op hen gericht waren."
  2. religie, pejoratief (religie) (pejoratief) iemand die zich overmatig godsdienstig gedraagt
    Of ik gelóóf, daar kan ik eigenlijk geen antwoord op geven. Ik ben katholiek opgevoed, maar ik ben geen pilaarbijter en ik breng mijn vakanties niet door in abdijen. Maar achteraf bezien heb ik voornamelijk religieuze muziek gespeeld.

Etymologie

*van Middelnederlands "pilarenbiter", op te vatten als samenstellende afleiding van "pilaar" en "bijten"