pijpenbakker

mannelijk (de)/ˈpɛipə(n)ˌbɑkər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, historisch (beroep) (historisch) iemand die rookgerei uit aardewerk maakt
    Het onderzoek spitste zich toe op de Molenstraat, waar onder meer de oven van een pijpenbakker werd aangetroffen.

Etymologie

*samenstellend afgeleid uit "pijp" en "bakken"