pijp

mannelijk/vrouwelijk (de)/pɛi̯p/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. buis
    Lichtjes die branden tot aan de zee, drukte in de straten, getoeter, een motorfiets die met knallende pijp optrekt, een hond die blaft.
  2. broekspijp
  3. tabakspijp
    Hij steekt zijn hand in zijn zak om er een aardewerken pijp met een lange steel uit te halen.
    Hij schreef later in zijn verslag dat hij 'met zijn pijp tussen zijn tanden geklemd' nog net op tijd de autobumper had kunnen vastgrijpen en overeind had kunnen krabbelen.
    Pogue stak zijn pijp op en ging languit onder een boom een boek lezen.
  4. orgelpijp

Etymologie

* In de betekenis van ‘rookgerei’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1693

Uitdrukkingen

  • de pijp uit gaandoodgaan
  • de pijp aan Maarten geven
  • [[de pijp aan Maarten gevenDe pijp aan Maarten geven]]|opgeven, doodgaan|num=3
  • een lelijke/ zware pijp rokendoor eigen schuld in moeilijkheden komen|num=3
  • [[pijpenstelen regenenpijpenstelen regenen]]|heel hard regenen|num=3

Vertalingen

Engelspipe, tube
Spaanspipa, tubo, pernera