pijpen
/ˈpɛipə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) (muziek) een melodie spelen op de speelpijp van, met name, een rietinstrument zoals de doedelzakHij pakte zijn zakpijp en pijpte een vrolijk deuntje.
- (ov) (seksualiteit) een man oraal bevredigen(…) tot die smerige hoer nog meer wou en zich naar het voeteneind sleepte, toen begon ze je te pijpen met niet te stillen honger (…)
- (inerg) tabak roken.
Etymologie
*: "pijp" met de uitgang -en
Uitdrukkingen
- naar iemands pijpen dansen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek