bevredigen

/bəˈvredəɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) beantwoorden aan een sterk verlangen
    Dat antwoord bevredigde hem allerminst.
    Zijn nieuwsgierigheid was volkomen bevredigd.
    Hij kon haar niet bevredigen.
  2. refl (refl) het seksuele verlangen door masturbatie stillen
    Hij had zich bevredigd.

Etymologie

*Afgeleid van vrede of afgeleid van vredig

Vertalingen

Engelssatisfy
Franssatisfaire
Duitsbefriedigen
Spaanssatisfacer, contentar, aplacar