piek
mannelijk (de)/pik/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een buiten de omgeving uitstekend deel, vrij lang en puntigDe bergbeklimmer was nog niet op die hoge piek geweest.
- (wiskunde) natuurwetenschap: een signaal dat zich uit als een maximum in een krommeDie twee pieken overlappen te veel om ze goed te kunnen scheiden.
- een kortstondige, sterke toename (van activiteit, aantallen en dergelijke)Het uitschakelen van zo'n elektromotor geeft een fikse piek op de netspanning.
- (sport) een (tijdelijk) optimale vorm waarin een uitzonderlijke prestatie kan worden geleverdDe piek moet er bij de finale zijn, niet eerder.
- (kerst) een puntvormige versiering op de top van een kerstboom
- (historisch), (militair) lans, een wapen dat bestond uit een dunne stok met aan het uiteinde een metalen punt
- (verouderd) een muntstuk ter waarde van één gulden (vernoemd naar de muntafbeelding van de Nederlandse Maagd met een lans in haar hand)
Etymologie
** In de betekenis van ‘gulden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1906
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek