top

mannelijk (de)/ˈtɔp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hoogste punt, (bovenste) uiteinde
    Geen tijd meer om van de top af te komen.
  2. bedrijfskunde (bedrijfskunde) leiding van een bedrijf, de directeur en of de topmanagers
    De top van het concern bestond uit twaalf directeuren.
  3. opvallend goed, tot de besten behorend (geeft aan dat iets in hoge mate de eigenschappen bezit die kenmerkend zijn voor het tweede deel van de samenstelling)
  4. natuurkunde (natuurkunde) naam van een van de zes quarks waaruit protonen en neutronen zijn opgebouwd
  5. vergadering of bijeenkomst van leiders
    Mensenrechtenorganisaties en Egyptische activisten roepen de internationale delegaties die naar de top komen daarom op om zich kritisch uit te spreken over de schending van de mensenrechten in Egypte.
zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) kledingstuk
tussenwerpsel
  1. ik stem toe!
    'Nou, als ik een fles van je zou kunnen kopen, zou dat top zijn!' zeg ik zo enthousiast mogelijk.

Etymologie

*[4] van "top"

Uitdrukkingen

  • Het zeil in top halen ( of voeren)
  • Op 'n top
  • tot in de toppen van zijn (haar) vingersdoor en door, helemaal, geheel en al
  • van top tot teenhet hele lichaam betreffende

Vertalingen

Engelsagreed, okay
DuitsGipfel, Spitzen-, Leiter
Spaanscumbre, vale