pot

vrouwelijk (de)/pɔt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. huishouden (huishouden) cilindervormig voorwerp van glas of aardewerk dat meestal dient om iets te bewaren (verpakking)
    Kun je mij de pot met jam aangeven?
    Ze droeg een zware pot waarop herten en konijnen geschilderd waren, met daartussen het gezicht van de godin Venus.
    Het potje met mijn favoriete zwarte inkt plaatste ik binnen handbereik.
  2. kookkunst (kookkunst) kookpot
  3. sanitair (sanitair) toiletpot
  4. financieel (financieel) spaarpot; bij uitbreiding financiële reserve in het algemeen
  5. drinken (drinken) pint, glas bier
  6. spel (spel), geheel van door de spelers ingezette bedragen, gebruikt als beloning voor de winnaars
  7. spel, informeel (spel), (informeel) (meestal als verkleinwoord) ronde
    Dat was een leuk potje.
zelfstandig naamwoord
  1. lhbt, scheldwoord (lhbt), (scheldwoord) vrouw die zich seksueel aangetrokken voelt tot andere vrouwen
    De buurvrouw is een pot.

Etymologie

*[B] (verkorting) van lollepot.

Uitdrukkingen

  • De dood in de potIets waar alle levendigheid uit verdwenen is
  • Eén pot natEen hele hoop van hetzelfde
  • Een potje kunnen brekenBij iemand in de gunst staan, je iets bij die persoon kunnen veroorloven
  • Er een potje van makenHet verpesten
  • rond de pot draaien
  • De hond in de pot vindenTe laat komen voor het eten, waardoor de eigen portie al is opgegeten door anderen
  • Eten wat de pot schaftEten wat er is (bij gebrek aan andere mogelijke keuzes)
  • Haar pot is aangebrandZe is zwanger

Vertalingen

Engelsdike, dyke
Fransgouine, gousse
DuitsTopf, Lesbe
Spaanstarro, bollera, tortillera
Zweedsflata