kloof

mannelijk/vrouwelijk (de)/kof/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geologie (geologie) een ten gevolge van erosie, diep uitgesleten rivierdal, met steile wanden
    Voorzichtig lopen ze over het glibberige pad in de door een gletsjer uitgesneden kloof.
    Het was weer eens een lange, hete dag en ik stopte pas toen ik in een diepe kloof bij een kleine poel met stilstaand groen water aankwam waar het stikte van de muggen.
  2. figuurlijk (figuurlijk) grote afstand, verschillen
    Hij sprak over de kloof tussen de politiek en de burger.
    Een groeiende kloof tussen winnaars en verliezers in de samenleving.

Etymologie

* In de betekenis van ‘spleet’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Vertalingen

Engelscanyon
Fransgorge
DuitsSchlucht
Spaanscañó, barranco, cañón
Italiaanscanyon
Portugeescanhão
Russischканьон
Poolskanion
Zweedskanjon, ravin
Deenscanyon