onvree

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɔɱvre/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het niet tevreden en rustig zijn
    Een tijding uit Zuid-Limburg: onrust en onvree onder de ex-mijnwerkers. Ik reis erheen. Vijfentwintig jaar geleden was ik ook in Heerlen. Het was 17 december 1965. Beleef je een historisch moment op het historische moment zelf? Ik was nog maar kort bij deze krant, althans bij het toenmalige Handelsblad en mocht de grote plechtigheid verslaan. NRC John Jansen van Galen 8 december 1990 [https://www.nrc.nl/nieuws/1990/12/08/de-natie-13-6949516-a501277 De Natie 13]

Etymologie

* afleiding van vrede