onrust

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het verstoord zijn van de maatschappelijke of sociale orde, verstoord zijn van de rust in een bepaalde groep mensen
    Een aantal incidenten zorgde voor onrust in de wijk.
    In de partij is onrust ontstaan over het voorstel.
  2. het niet kalm of rustig zijn van het gemoed van iemand, het opgewonden zijn
    Hij had al een tijdje een vreemde, nog nooit eerder beleefde onrust in zijn hart gevoeld. {{Aut|Herzen, Frank
    Die 18-jarige Goldie had helemaal gelijk, waarom kon ik niet gewoon van het moment genieten? Waar kwam die onrust toch vandaan? Ik sjokte verder en zag de rivier af en toe ver onder mij in de kloof liggen.
  3. techniek (techniek) wieltje in een mechanisch uurwerk dat ervoor zorgt dat het uurwerk blijft lopen
    De onrust bepaalt de snelheid waarmee een mechanisch uurwerk loopt.

Etymologie

*Afgeleid van rust

Vertalingen

Engelsunrest, agitation, alarm
Spaansagitación, desasosiego, intranquilidad