onrust
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het verstoord zijn van de maatschappelijke of sociale orde, verstoord zijn van de rust in een bepaalde groep mensenEen aantal incidenten zorgde voor onrust in de wijk.In de partij is onrust ontstaan over het voorstel.
- het niet kalm of rustig zijn van het gemoed van iemand, het opgewonden zijnHij had al een tijdje een vreemde, nog nooit eerder beleefde onrust in zijn hart gevoeld. {{Aut|Herzen, FrankDie 18-jarige Goldie had helemaal gelijk, waarom kon ik niet gewoon van het moment genieten? Waar kwam die onrust toch vandaan? Ik sjokte verder en zag de rivier af en toe ver onder mij in de kloof liggen.
- (techniek) wieltje in een mechanisch uurwerk dat ervoor zorgt dat het uurwerk blijft lopenDe onrust bepaalt de snelheid waarmee een mechanisch uurwerk loopt.
Etymologie
*Afgeleid van rust
Vertalingen
Engelsunrest, agitation, alarm
Spaansagitación, desasosiego, intranquilidad
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek