vredigheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de afwezigheid van drukte en rumoer
    'Kom met me mee: Ze vluchten de straat op, en alle vredigheid is uit deze ochtend verdwenen, achtergelaten bij het sinaasappelsap en de broodjes.
    ' Een intens gevoel van vredigheid overviel haar.
    Alles ademt vredigheid.

Etymologie

* afleiding van vredig