onvrede

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɔɱvredə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het gevoel ergens niet blij mee te zijn en er iets aan willen doen
    Hij heeft onvrede met de behaalde studieresultaten.
    In Hongarije profiteert de oppositie van de onvrede over corruptie bij de partij van premier Viktor Orbán.[https://www.nrc.nl/nieuws/2025/09/12/orban-rivaal-peter-magyar-trekt-door-hongarije-ik-sta-voor-een-positief-populisme-a4905924 www.nrc.nl (12 sep 2025)]

Etymologie

*Afgeleid van vrede

Vertalingen

Engelsdissatisfaction
Fransmécontentement
DuitsUnzufriedenheit
Spaansinsatisfacción