kostganger
mannelijk (de)/ˈkɔs(t)xɑŋər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die (tegen betaling) bij iemand anders voeding en onderdak ontvangtSamen inspecteerden we de kelder, die blank stond van de wijn. Voor hun laatste kruik hadden onze kostgangers eenvoudig met hamer en beitel een vat stukgeslagen.{{Aut | Heijden, A.F.Th. van derTrainingsdag gisteren in de Ueno-zoo in Tokio, de oudste dierentuin van Japan. Elk jaar oefenen de oppassers in het onschadelijk maken van een uitgebroken kostganger. Een zeventigtal dierenverzorgers mocht zichzelf spelen, één collega kroop in een gorillapak. Tegen de overmacht maakte de aangeklede aap uiteindelijk geen schijn van kans.De Standaard 07/02/2014 bvb
Etymologie
*Samenstellende afleiding van kost en gang
Uitdrukkingen
- de Heer heeft rare kostgangers — er lopen merkwaardige personen op deze aarde rond
Vertalingen
Engelsboarder
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek