commensaal

mannelijk (de)/kɔmɛnˈsal/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch, biologie (medisch) (biologie) onschadelijke gastkiem (bacterie) bijv. in de darm
  2. verouderd (verouderd) kostganger

Etymologie

*afgeleid van het Latijnse mensa (tafel) (commensalis [die aan dezelfde tafel eet], van com- [samen] + mensa)

Vertalingen

Engelscommensal