kijker

mannelijk (de)/ˈkɛikər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die naar iets kijkt
    De brand trok vele kijkers.
  2. optica, astronomie (optica), (astronomie) een optisch instrument waarmee men ver verwijderde taferelen vergroot en/of helderder kan zien; in de astronomie ook toegepast voor het waarnemen van straling in het onzichtbare frequentiespectrum
    Een kijker met een groot objectief, geeft een helder beeld.
    Een kijker voor fotografische opnamen in het infraroodgebied.
    Albert keek langs Berry's schouder. Luitenant Pradelle stond op een kleine voorpost met een kijker naar de vijandelijke linies te spieden. {{Aut|Lemaitre, Pierre
  3. figuurlijk (figuurlijk) oog, in de betekenis van (lichaamsdeel voor) visuele waarneming
    Ze keek hem met haar helder blauwe kijkers en lange krullende wimpers verleidelijk aan.

Etymologie

*[2] Verkorting van “verrekijker”

Uitdrukkingen

  • In de kijker lopen / in de kijker spelenIn het oog lopen, opvallen
  • Iets in de kijker hebbenOnraad vermoeden

Vertalingen

Engelsspectator, viewer
Fransspectateur
DuitsZuschauer
Spaansespectador
Italiaansveditore
Portugeesespectodor