oog
onzijdig (het)/ox/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) gezichtsorgaan voor het waarnemen van lichtprikkelsZijn oog functioneert niet correct meer.
- blik die men op iets richtAlle ogen waren op die man gericht.
- elk van de putjes op dobbel- en dominostenen die de waarde ervan aangevenDe ogen van de dobbelsteen waren licht beschadigd.
- oogvormige opening van sommige voorwerpenEr zat een draad door het oog van een naald.
- hoefijzervormig ringetje aan kledingstukken waarin een haakje wordt bevestigd
- uitgevloeide druppel vet op soep
- knop van een plant
- plek op een aardappel waar bij het uitlopen een worteltje kan ontstaan
- oogvormig versiersel op de staart van pauwen en op de vleugels van sommige vlinders
- centrum van een cycloon waar windstilte heerstZijn huis was middenin het oog van de cycloon gepositioneerd.
- alleen in toponiemen: eilandWij gingen een weekend naar Schiermonnikoog.
Etymologie
:Oost: : augo
Uitdrukkingen
- een oog dichtdoen — slapen
- de poppetjes van mijn ogen
- Door het oog van de naald kruipen — ternauwernood aan gevaar ontsnappen
- Een doorn in het oog zijn — ergens aan ergeren
- Ergens oog voor hebben — ergens de waarde van inzien of aandacht voor hebben
- Groen en geel voor de ogen worden — duizelen en/of erg van schrikken
- Haken en ogen geven — iets heeft veel moeilijkheden
- Het boze oog hebben
Vertalingen
Engelseye
Fransœil
DuitsAuge
Spaansojo
Italiaansocchio
Portugeesolho
Russischглаз
Chinees眼睛
Japans目, め
Koreaans눈
Arabischعين
Turksgöz
Poolsoko
Zweedsöga
Deensøje
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek