oogappel

mannelijk (de)/ˈoxɑpəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) ronde en gekleurde deel van het regenboogvlies dat naar buiten zichtbaar is
  2. anatomie (anatomie) oogbol
    De dokter constateerde de uitpuiling van de oogappel.
  3. figuurlijk (figuurlijk) een waardevol bezit
    Zijn dochter was echt zijn oogappel.

Etymologie

**[3] een verwijzing naar de , Psalm [https://www.statenvertaling.net/bijbel/psal/17.html 17:8] en Zacharias [https://www.statenvertaling.net/bijbel/zach/2.html 2:8], in de betekenis van ‘lieveling’ voor het eerst aangetroffen in 1637

Vertalingen

Engelspupil
Franspupile
DuitsAugapfel
Spaanspupila
Italiaanspupilla
Portugeespupila
Zweedsögonsten