pupil

mannelijk (de)/pyˈpɪl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. juridisch (juridisch) minderjarige onder voogdij
  2. onderwijs (onderwijs) leerling
    Hij liet zijn pupillen niet merken dat hij enigszins van zijn stuk was.
  3. sport (sport) junior, iemand in een jongere leeftijdsklasse
zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) opening in het midden van de iris in het oog
    Zijn pupillen vernauwden zich toen hij werd blootgesteld aan het felle licht.

Etymologie

* [B]: Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘oogappel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351

Vertalingen

Engelsward, pupil, pupil
Franspupille, élève, pupille
DuitsMündel, Schüler, Pupille
Spaanstutelado, alumno, pupila
Turksgöz bebeği, pupilla, pupil