keil

mannelijk (de)/kɛil/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek (techniek) stevig voorwerp met een rand waar twee vlakken elkaar onder een scherpe hoek raken; kan worden gebruikt om iets vast te klemmen, het wegrollen van een wiel te verhinderen of materiaal op een breuklijn verder te splijten
    Als je de smalle kant van de keil in de spleet duwt, kun je met een harde slag op de stompe kant het hout splijten.
    Een wig wordt ook wel een keg genoemd of keil en kan van verschillende materialen worden gemaakt.
  2. sport, verouderd (sport), (verouderd) oude benaming voor de kegel van de kegel- en bowlingbaan
  3. plat (kiezel-) steentje
    De keil moet laag over het water scheren, hij zal dan enkele keren uit het water springen.
  4. verouderd (verouderd) portie alcoholische drank
    Toch vond ik jenever niet lekker, een kop koffie lustte ik net zoo lief. Maar je kon er niet afblijven; soms dacht je: kom ik eet wat! maar inplaats van een stuk kaas nam je toch een keiltje.
werkwoord
  1. dronken

Etymologie

* [4], : via Bargoens en "כּלי" (keile) van (kli) (ondermeer) "fles", "glas"

Vertalingen

Engelswedge, skittle, skittle pin
Franscoin, quille
DuitsKeil, Kegel