kast
mannelijk/vrouwelijk (de)/kɑst/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (meubel) een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappende avond in het restaurant bracht hij met zijn tweejarig zoontje, wegens diens fascinatie met dit voorwerp, door in de stofzuigerkastKeurig gestreken en opgevouwen kleding wordt in de kast gelegd.Salvatore is naar een grote houten kast gelopen.
- (informeel) een televisietoestel (meestal als verkleinwoord: kastje)
- (informeel) gevangenisIn de kast zitten.
- (informeel) een groot gebouw
Etymologie
* In betekenis mogelijk ook beïnvloed door het vrijwel gelijkluidende woord "kas".
Uitdrukkingen
- alles uit de kast halen — grote inspanningen leveren
- iemand op de kast jagen — iemand boos maken
- lijk in de kast
- uit de kast komen — bekend laten worden dat je homoseksueel bent |(VS) Engels to come out of the closet
- van het kastje naar de muur gestuurd worden — met bureaucratisch gedoe te maken krijgen
- en kast van een (huis, etc.) — een zeer groot (huis, etc.)
Vertalingen
Engelscupboard, cabinet, closet
Fransarmoire, tôle
DuitsKasten, Schrank, Kiste
Spaansarmario
Italiaansarmadio
Portugeesarmário
Russischгардероб
Arabischخزانة صوان
Turksdolap
Poolsszafa
Zweedsskåp
Deensskab
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek