nor
mannelijk/vrouwelijk (de)/nɔr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (informeel), (juridisch), (misdaad) plaats waar misdadigers worden opgesloten, gevangenisHij zit al elf jaar in de nor.
Etymologie
* Bargoens, misschien (klanknabootsing), vergelijk "brommen"; in de betekenis van ‘gevangenis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1881
Vertalingen
Engelsnick, slammer
Franstaule, tôle
DuitsKnast
Spaanstalego
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek