guurheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. van het weer dat het koud, winderig en vaak ook regenachtig is
    Misschien kwam het door de snerpende, maartse guurheid, misschien was het een toevallige botsing van twee slechte humeuren, misschien was het een combinatie van dergelijke factoren, hoe dan ook – er ging iets fout. NRC Frits Abrahams 25 maart 2013 [https://www.nrc.nl/nieuws/2013/03/25/straatruzie-12634991-a1014903 Straatruzie]
    Het lijkt wel alsof januari niet alleen een maand van kou en guurheid was, maar ook van ziekte en dood. Meteen op nieuwjaarsdag schoot een als kerstman verklede terrorist 39 mensen dood in een nachtclub in Istanbul. Op onze Driestar werden we evenzeer met de dood geconfronteerd. En in Sliedrecht overleed onze oud-predikant, ds. J. den Hoed. Het overlijden van de predikant bracht, wonderlijk en vreemd genoeg, in mijn somberheid toch weer een keer. Reformatorisch Dagblad Dr. Mackay 03-02-2017 [https://www.rd.nl/opinie/column-liefde-sterker-dan-de-dood-1.1372427 Column: Liefde sterker dan de dood]
  2. kille onvriendelijkheid zonder enige menselijke warmte en genegenheid

Etymologie

*afleiding van guur

Vertalingen

Engelsroughness, inclemency, sharpness