grootspraak
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- opschepperij, bluf, dikdoenerij, jezelf belangrijker maken dan je bentDe visser vertelde in beeldende taal over zijn gevangen vis van meer dan 1 meter lengte maar het bleek alleen maar grootspraak te zijn.
Vertalingen
Engelsbluffing
Fransfanfaronnade
DuitsGroßtuerei
Spaansjactancia, fanfarronada
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek