Groot
mannelijk (de)/ɣrot/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (numismatiek) een van oorsprong Italiaanse munt die tot 1496 ook in Vlaanderen gebruikt werd
Etymologie
|url = https://nos.nl/artikel/2564338-pieterburen-is-echt-bijna-leeg-na-vrijlating-ollie-en-brandy|uitgever = NOS|bezochtdatum=20 april 2025 |citaat=Ook boer Henk Koster kwam afscheid nemen. "Ik heb de hele ontwikkeling meegemaakt, vanaf het begin. Lenie 't Hart kwam vroeger bij ons spullen lenen om zeehondenpups groot te krijgen. Wat hier is opgebouwd, is een succes voor Pieterburen én voor de zeehonden. Voor de levendigheid in het dorp was het beter geweest als het hier was gebleven", zei hij.
Uitdrukkingen
- Een grote staat voeren — veel geld uitgeven
- Iets aan de grote klok hangen — iets grootschalig bekend maken
- Kleine oorzaken, grote gevolgen — kleine dingen kunnen grote gevolgen hebben
- Kleine potjes hebben grote oren — je moet uitkijken met wat je zegt als er kinderen bij zijn
- Met grote heren is het kwaad kersen eten — tegen hoge heren leg je het meestal af
- Op grote voet leven — veel geld uitgeven
- Op de grote trom slaan — aandacht proberen te krijgen voor iets
- Wie het kleine niet leert, doet het grote verkeerd — waardeer de kleine dingen in het leven
Vertalingen
Engelsbig, large, big
Fransgrand, grande, grand
Duitsgroß, groß, groß
Spaansgrande, gran, grande
Russischбольшой
Turksbüyük, iri, kocaman
Poolsduży, wielki, duży
Zweedsstor
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek