gewoel

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. drukte, onrust, reuring
    - Heineken heeft een goed jaar achter de rug, ondanks het economische en politieke gewoel dat in tal van belangrijke markten de verkopen onder druk zette. In Afrika, het Midden-Oosten en Oost-Europa bracht Heineken minder bier aan de man. De terugval daar werd gecompenseerd door enthousiaste bierdrinkers in Latijns-Amerika en Azië. Volkskrant Peter van Ammelrooy 15 februari 2017
    Her en der staken brede huizen hun sierlijke gevels als zwangere buiken naar voren, afgewisseld met omheinde tuintjes en hoog oprijzende pakhuizen. Hij snoof de weinig aangename, maar vertrouwde geuren op en keek opgetogen naar het gewoel van de menigte dat hij zich als de dag van gisteren herinnerde.Noah Gordon De Heelmeester Vertaald door Thomas Mass 2014 pagina 484
  2. conflict

Etymologie

* van woelen

Vertalingen

Engelsagitation