gevaar

onzijdig (het)/ɣəˈvar/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (groot) risico.
    Het leven is vol gevaren.
    Deze extreme hitte vormde een reëel gevaar. Twee jaar eerder was er op dit stuk trail nog een 19-jarige jongen overleden aan de gevolgen van een zonnesteek.
  2. valkuil, risico
    Het gevaar is dat we dan 10km moeten omrijden.
    Hij vond het een niet te verteren vooruitzicht dat Van Alphen na zijn dood zou worden overgenomen door' BMM Volkerwessels of Boskalis, maar daarnaast zag hij wel degelijk het gevaar dat zijn nalatenschap zou kunnen leiden tot een schisma binnen zijn gezin.
    Wanneer we bij de provinciale weg zijn wil niemand nog verder, hoewel het gevaar nu is geweken.
zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) het voortdurende verkeer te water
    Op de Rijn is veel gevaar.

Etymologie

* van varen

Vertalingen

Engelsdanger
Fransdanger
DuitsGefahr
Spaanspeligro
Poolsniebezpieczeństwo
Deensfare