onheil

onzijdig (het)/ˈɔnhɛil/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. grote tegenspoed
    De jongen voelde dat er onheil in de lucht hing, en maakte zich uit de voeten.
    Maar als ik onzeker was, bijvoorbeeld tijdens onweer of bij steile afdalingen, probeerde ik anderen op te zoeken om het onheil niet alleen tegemoet te hoeven treden.

Etymologie

*Afgeleid van heil

Uitdrukkingen

  • plaats des onheils
  • gevaarlijke plaats

Vertalingen

Engelsdisaster, calamity
Fransmalheur, désastre
DuitsUnheil