nood
mannelijk (de)/not/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- levensbedreigende situatie waaruit men zichzelf niet meer kan redden en onmiddellijke hulp vereist isDe passagiers van het in nood verkerende schip konden allen gered worden.
- gebrek, een tekort aan ietsIn het journaal van de VRT werd gezegd dat er nood is aan parkeerplaatsen.
- tijdelijk ongemakDe stroomvoorziening is uitgevallen, geen nood, we behelpen ons wel met olielampen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘dwang der omstandigheden, gebrek’ voor het eerst aangetroffen in 1100
Uitdrukkingen
- nood leert bidden. — in nood leert men anderen om hulp vragen
- Nood breekt wet — In geval van nood dient hoe dan ook hulp geboden te worden, desnoods tegen de geldende regels in
- De noodklok luiden — De aandacht vestigen op een onhoudbare toestand/benarde situatie
- Van de nood een deugd maken — In een noodgedwongen situatie, toch iets nuttigs doen
- Als de nood aan de man komt — Geen nood zo hoog, of er is wel een oplossing
- Als de nood het hoogst is, is de redding nabij — Laat de moed niet zakken, nog is er kans op hulp
- In nood leert men zijn vrienden kennen — Vrienden genoeg als het je voor de wind gaat, maar wie helpt je als het wat minder gaat?
- Hoge nood hebben — Nodig naar het toilet moeten
Vertalingen
Engelsemergency, distress, need
Fransdétresse, besoin
DuitsNot, Not
Spaansmiseria, emergencia, desastre
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek