geblesseerd

/ɣəblɛˈsert/

Betekenis

werkwoord
  1. (vrij zeldzaam) vormt de lijdende vorm
    Beide spelers werden door die ongelukkige botsing geblesseerd
    Ze raakten allebei geblesseerd.
    Hij is al een tijdje geblesseerd.
  2. sport (sport) gewond, met name door sportbeoefening