geblabla

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het doorlopend opgeblazen maar inhoudsloos praten
    De tijden zijn in zoverre interessant dat ze kakofonisch zijn' je moet bijwijlen je oren dichtstoppen tegen het tenhemelschreiende geblabla van de muezzins van de eeuwige vergelding in het ene oor en dat van de filistijnen van het geperoxideerde ressentiment in het andere.
    Quarles van Ufford trok van leer tegen de ontwikkeling dat hulporganisaties hun beleid en doelen vastleggen in dikke beleidsplannen. Hij hekelde het „geblabla over professionaliteit” en riep hulpverleners op om zich „niet te laten verleiden door modern gebabbel over effectiviteit en evalueren.”

Etymologie

* van blablaën