geblaat
onzijdig (het)/ɣəˈblat/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (dierengeluid) mekkerend geluid van een schaapDe lucht was vervuld van het geloei, geknor en geblaat van de dieren.
- (informeel), (pejoratief), (communicatie) inhoudsloos gepraat, meestal op een luide en storende toonHet geblaat van die politicus is mij een doorn in het oog.
Etymologie
*: van "blaten" .
Uitdrukkingen
- Een hoop geblaat, weinig wol. -- Veel ophef voor weinig resultaat.
- Hoe schurfter schaap, hoe harder geblaat. -- Hoe groter de schelm, des te onbeschaamder het geschreeuw.
Vertalingen
Fransbêlement, hurlement
DuitsGeblöke, Geschrei
Spaansbalado, balido
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek