Dag

mannelijk (de)/dɑx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. astronomie (astronomie) de aanwezigheid van elektromagnetische straling op de door de zon bestraalde helft van een planeet, en die vooral effecten als opwarming en verlichting veroorzaakt
    In de zomer is het al vroeg dag.
  2. tijdrekening, eenheid (tijdrekening), (eenheid) tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn eigen as draait (voor de aarde 24 uur)
    Neem driemaal per dag deze pillen en u bent zo weer op de been.
    Ze ging naar de zonsondergang kijken vanuit het water, maar kwam er niet meer uit door de sterke stroming. Haar lichaam werd pas dagen later gevonden.
  3. tijdrekening (tijdrekening) tijd tussen zonsop- en zonsondergang
    Op bepaalde tijdstippen van de dag is de kans op verbranding groter dan op andere.
    Als het vandaag dinsdag 26 juli 2016 is, dan is het morgen woensdag 27 juli, overmorgen is het donderdag 28 juli, gisteren was het maandag 25 juli, eergisteren was het zondag 24 juli, terwijl het aanstaande maandag 1 augustus is
    Als je iemand iedere dag zag - iemand die je graag mocht, iemand die je opbeurde - had je het idee dat je op je best was zonder daar echt moeite voor te hoeven doen.
tussenwerpsel
  1. ontmoetingsgroet
    Dag. Ik ben Jan.
  2. afscheidsgroet
    Ik moet gaan. Dag.
zelfstandig naamwoord
  1. touw
  2. dolk, voegijzer

Etymologie

*[B] uitspraakvariant van "dagge", zie verder op die pagina

Uitdrukkingen

  • fijne dag
  • Op de dagoverdag
  • Het is kort dagEr is haast bij
  • Aan de dag brengenBekendmaken
  • Goed voor de dag komenEen goede indruk maken
  • Voor de dag komenOpduiken
  • Pluk de dagProfiteer van gunstige uren/tijden
  • Vandaag de dagTegenwoordig, in de huidige tijd

Vertalingen

Engelsday, day, hi
Fransjour, journée, salut
DuitsTag, Tag, Tag
Spaansdía, hola, adiós
Italiaansgiorno, giornata, giorno
Poolsdzień, dzień, cześć
Zweedsdag, dag, hej