broekriem

mannelijk (de)/ˈbrukrim/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. riem die dient om een broek op te houden
    De politie vond het lichaam van de 20-jarige Daniëlla eind juli 2013 in een hoekwoning in de Opaalstraat in Groningen. De vrouw was wekenlang zwaar mishandeld met een honkbalknuppel, stoelen en een broekriem. NRC Bas Tooms 28 oktober 2016

Uitdrukkingen

  • De broekriem aanhalenHet zuiniger aan moeten doen

Vertalingen

Engelsbelt