riem

mannelijk (de)/rim/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. band van leer of een vergelijkbaar sterk en soepel materiaal
    Hij droeg altijd een riem omdat anders zijn broeken niet lekker zaten.
    Tijdens het liften naar het boerendorp Trout Lake, verscholen in de bergen van Washington, werd ik opgepikt door een vriendelijke, oude man in een versleten tuinbroek, houthakkersoverhemd en een pistool aan zijn riem.
  2. techniek (techniek) "steel" [1] met een bladvormig uiteinde, bedoeld om een vaartuig voort te bewegen door het blad in het water te steken en een duwende beweging te maken
    Omdat hij niet wist hoe hij de riem goed vast kon houden, roeide hij erg langzaam.
  3. eenheid (eenheid) hoeveelheid papier voor het drukken van 20 boeken, eerst 480 later 500 vellen
  4. grootverpakking met tiental pakjes sigarettenTien pakjes met 20 sigaretten is een gangbare hoeveelheid, maar andere aantallen zijn ook mogelijk.

Etymologie

*[3] via Middelnederlands "rieme" en "resma" of "risma" van "رِزْمَة‎" (rizma) "bundel", in de betekenis van ‘hoeveelheid papier’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1384

Uitdrukkingen

  • De riem er af leggen.stoppen met werken [https://www.dbnl.org/tekst/_taa007197301_01/_taa007197301_01_0018.php www.dbnl.org] - variant: "Er pap opleggen"
  • De riem er op leggen.hard zijn best doen
  • De riem toehalen ( of dichthalen)Stoett-1928 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
  • Een riem onder het hart stekenStoett-846 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
  • Het is goed riemen snijden van andermans leerhet is gemakkelijk van andermans eigendom/geld te tracteren
  • Iemand een hart onder de riem steken of Iemand een riem onder het hart stekeniemand moed inspreken
  • Roeien met de riemen die je hebthet moeten doen met dat wat je hebt

Vertalingen

Engelsbelt, oar, ream
Fransceinture, rame, rame
DuitsGürtel, Ruder
Spaanscinturón, correa
Italiaanscintura, remo
Russischремень, весло
Poolspas, wiosło