bout

mannelijk (de)/bɑut/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap (gereedschap), verbindingsmiddel, meest uit metaal vervaardigde ronde staaf met kop, oog of haak
    Normaal gesproken was dat geen enkel probleem geweest, ze gebruikten een eenvoudige en beproefde techniek met platen en bouten voor de samenvoeging.
  2. voeding (voeding) een stuk voor consumptie bedoeld vlees met een bot erin, meestal een poot
  3. techniek (techniek) een projectiel dat door een kruisboog wordt afgeschoten
  4. biologie (biologie) ontlasting, uitwerpselen, drol (zie bouten)
  5. techniek (techniek) een soldeerijzer
  6. techniek (techniek) een strijkijzer

Etymologie

* In de betekenis van ‘poot van een geslacht dier’ voor het eerst aangetroffen in 1101

Uitdrukkingen

  • Je kunt me de bout hachelenje kunt voor mij de pot op

Vertalingen

DuitsKeule, Schenkel, Schlegel
Spaansclavija, tornillo, muslo