bout
mannelijk (de)/bɑut/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (gereedschap), verbindingsmiddel, meest uit metaal vervaardigde ronde staaf met kop, oog of haakNormaal gesproken was dat geen enkel probleem geweest, ze gebruikten een eenvoudige en beproefde techniek met platen en bouten voor de samenvoeging.
- (voeding) een stuk voor consumptie bedoeld vlees met een bot erin, meestal een poot
- (techniek) een projectiel dat door een kruisboog wordt afgeschoten
- (biologie) ontlasting, uitwerpselen, drol (zie bouten)
- (techniek) een soldeerijzer
- (techniek) een strijkijzer
Etymologie
* In de betekenis van ‘poot van een geslacht dier’ voor het eerst aangetroffen in 1101
Uitdrukkingen
- Je kunt me de bout hachelen — je kunt voor mij de pot op
Vertalingen
DuitsKeule, Schenkel, Schlegel
Spaansclavija, tornillo, muslo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek