schroef

mannelijk/vrouwelijk (de)/sxruf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek (techniek) klein cilindervormig of conisch voorwerp dat wordt gebruikt om andere, grotere voorwerpen vast te zetten
    Hoe krijg ik een schroef los die niet goed los wil?
  2. scheepvaart, luchtvaart (scheepvaart) (luchtvaart) werktuig met twee of meer gebogen bladen die door draaiing een schip of vliegtuig voortbewegen
    De duif was op weg voor een leervlucht in de schroef van een vliegtuig terechtgekomen.
  3. sport (sport) sprong met een draai om de lengteas

Etymologie

*via Middelnederlands "schruve" van "escroue", in de betekenis van ‘staafje met schroefdraad’ aangetroffen vanaf 1573

Uitdrukkingen

  • Er zit een schroefje [bij hem/haar,...] losIemand is niet goed bij zinnen
  • Op losse schroeven staanGezegd van iets waarvan onzeker is of het doorgaat

Vertalingen

Engelsscrew, screw, twist
Fransvis, hélice, avvitamento
DuitsSchraube, Propeller, Schiffsschraube
Spaanstornillo, hélice
Italiaansvite, elica
Portugeesparafuso, hélice
Russischвинт, шуруп, винт
Poolswkręt, śruba
Zweedsskruv, propeller, skruv
Deensskrue