woorden
boek
Start
›
B
›
bokkenpruik
bokkenpruik
mannelijk/vrouwelijk (de)
/bɔkəprœyk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
figuurlijk
(figuurlijk) alleen in de ~ ophebben: slecht gehumeurd zijn
Hij heeft al dagenlang de bokkenpruik op.
Verwante woorden
bokken
bokkenbaard
bokkenbaarden
bokkend
bokkenkop
bokkenkoppen
bokkenleer
bokkenpoot
bokkenpootje
bokkenpootjes
bokkenpoten
bokkenrijder
Bron:
OpenTaal
&
WikiWoordenboek
← bokkenpoten
bokkenrijder →