bokken
/ˈbɔkə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (evenhoevigen) (of geitachtigen) een onderfamilie uit de familie der holhoornigen (Bovidae), waartoe onder andere de geiten, schapen, gemzen en de muskusos behoren. De Tibetaanse antilope (Pantholops hodgsonii) wordt soms tot deze onderfamilie gerekend, en vaak gezien als de holhoornige die het nauwst aan de bokken verwant is
werkwoord
- (inerg) mokken omdat men zich verongelijkt voelt
- (inerg) (van paarden) de achterhand in de lucht gooien
- (gewestelijk) zich vooroverbuigen, bukken.
Etymologie
* "bok" met de uitgang -en
Uitdrukkingen
- schapen met bokken verdelen
Vertalingen
Engelssulk, buck
Fransfaire la tête
Duitsbocken
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek