Vlinder

mannelijk (de)/ˈvlɪndər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dierkunde (dierkunde) benaming voor nectar etende insecten uit de orde , gekenmerkt door vier vaak gekleurde vleugels die met heel kleine schubben zijn bedekt, zuigende monddelen met een oprolbare tong en een rupsachtige larve die zich destructief voedt met planten
    Vlinders beginnen hun leven als rups, verpoppen, en komen dan gevleugeld en wel tevoorschijn.
    Hopelijk zou ik me de volgende ochtend een stuk beter voelen en als een vlinder de berg over fladderen.
  2. kleding, spreektaal (kleding), (spreektaal) strikje dat traditioneel door mannen op de boordsluiting van een overhemd gedragen wordt
    Adriaan loopt blauw aan omdat zijn vlinder veel te strak zit.

Etymologie

*[2] (verkorting) van "vlinderdas"

Vertalingen

Engelsbutterfly
Franspapillon
DuitsSchmetterling
Spaansmariposa
Italiaansfarfalla
Portugeesborboleta
Russischбабочка
Japansチョウ, 蝶, 蝶々
Turkskelebek
Poolsmotyl
Zweedsfjäril
Deenssommerfugl