zomervogel
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈzomərˌvɔɣəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verouderd) benaming voor dagvlinders uit de ordeDie zo tot mijn verbeelding sprekende rouwmantels in het Noorse - waar een vlinder heel toepasselijk zelfs ‘zomervogel’ wordt genoemd - moesten op de een of andere manier, in een holle boom of hooischuur, barre winterkou hebben getrotseerd om daar al zo vroeg acte de présence te kunnen geven.
- benaming voor trekvogels die alleen in de warme periode van het jaar te zien zijnHoewel de koekoek als zomervogel bekend stond, bejegende men deze vogel vaak ook minder vriendelijk.
Etymologie
*, omdat het een vliegend dier is dat in de warmste maanden van het jaar te zien is
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek