schubvleugelige

mannelijk (de)/ˈsxupfløɣələɣə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dierkunde, verouderd (dierkunde) (verouderd) benaming voor nectar etende insecten uit de orde , gekenmerkt door vier vaak gekleurde vleugels die met heel kleine schubben zijn bedekt, zuigende monddelen met een oprolbare tong en een rupsachtige larve die zich destructief voedt met planten
    We stellen ons voor dat hij op een stralende dag er op uittrok met zijn vlindernet om te proberen een schubvleugelige te verschalken.

Etymologie

*terugvorming zonder de uitgang -en uit het meervoud schubvleugeligen