zwengelen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. (laten) slingeren
  2. aan een zwengel draaien
    De oude man zwengelde aan de waterpomp.
  3. verouderd, techniek (verouderd) (techniek) braken van vlas, d.w.z. de aanhangende houtdeeltjes met een zwengel verwijderen

Etymologie

*Afgeleid van "zwengel" “slinger” .