zwendel

mannelijk (de)/'zʋɛndəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bedrog, fraude, oplichting, flessentrekkerij, geknoei
    ?' 'Dat het een grote zwendel is en dat ze hem geld hebben afgetroggeld,' zei Toivonen.
    In het begin kon ik geen kant op, toen ben ik verdergegaan in de zwendel, maar toen ben ik wat eerlijke zaken gaan doen.

Vertalingen

Spaansestafa