zot
mannelijk (de)/zɔt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die zich dwaas gedraagtDe circusclown komt voort uit de commedia dell’arte en het variété, en is een nakomeling van zot en nar: beroepsgekken die spotten met koning en burgers, de bestaande orde ondersteboven kieperden en ageerden tegen de heersende moraal.
- (informeel) iemand met een psychische stoornis
- (informeel) (Belgisch-Nederlands) iemand die zich door emoties overdreven fanatiek gedraagt
- (kaartspel) (informeel) (Belgisch-Nederlands) boer als kaart van een bepaalde waarde
Etymologie
#(informeel) sterk afwijkend van verwachtingen en daardoor grappig
Uitdrukkingen
- zot zijn van
Vertalingen
Engelscrazy, fool
Spaansestulto, extravagante, necio
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek