dom
mannelijk (de)/dɔm/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) kathedraal, de hoofdkerk van een bisdom
- (bouwkunde) dak in de vorm van een halve bol
- Portugese eretitel
- (religie) titel van een benedictijner monnik
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kerk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1574
Uitdrukkingen
- zich van de domme houden — zich dommer, onkundiger houden dan men in werkelijkheid is
- hij is te dom om voor de duvel te dansen — hij is heel dom
- hij is zo dom als het achtereinde van een varken — hij is heel dom
- hij is zo dom als het achtereinde van een koe — hij is heel dom
- zich onnozel voordoen
Vertalingen
Engelscathedral, dome, dumb
Fransdôme, dôme, stupide
DuitsDom, dumm
Spaansdomo, estúpido
Italiaansduomo, cupola, stupido
Russischсобор, глупый, глупая
Chinees大教堂
Koreaans대성당
Turksaptal, salak, bön
Poolsgłupi, głupia, głupie
Zweedsdom, dom, dum
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek